Een kort overzicht van de geschiedenis van het bedrijf Peugeot

(bron:wikipedia)

  • Peugeot SA werd in 1896 opgericht. Tot 1965 heeft Peugeot SA zakelijke activiteiten ontplooid. In dat jaar werd het als onderdeel van een juridische en financiële reorganisatie in een holding omgezet, die haar activiteiten door dochteronderneming Peugeot liet voortzetten.
  • In 1949 creëerde Peugeot de maatschappij Gefco (“Groupage Express de Franche-Comte”) om voor de inkomende en uitgaande logistiek (zowel voor auto’s als voor onderdelen) te zorgen.
  • In 1974 nam Peugeot SA bezit van het volledige aandelenkapitaal van Citroën SA. De twee bedrijven zijn in 1976 gefuseerd, vanaf dat moment had Peugeot SA dus een tweede dochteronderneming die auto’s produceerde. De holding werd meestal de “PSA Groep” genoemd, en de twee hoofddochterondernemingen de “Peugeot onder-groep” respectievelijk de “Citroën onder-groep”. Dit omdat deze twee maatschappijen op hun beurt ook dochtermaatschappijen hadden.
  • In 1978 kocht Peugeot SA van het Amerikaanse bedrijf Chrysler Corporation alle dochterondernemingen in Europa: Simca in Frankrijk, Rootes in Groot-Brittannië en Barreiros in Spanje. Deze bedrijven werden in 1980 met Automobiles Peugeot gefuseerd en de merknaam Talbot werd opgerakeld om de productie van Chrysler Europe voort te zetten.
  • Alle Europese dochterondernemingen van Chrysler Financial Corporation voor commerciële financiering werden in 1980 ook door Peugeot SA gekocht. Dit was een belangrijke stap in de ontwikkeling van de activiteiten van PSA op dit gebied.
  • In 1987 fuseerden Aciers et Outillages Peugeot (Peugeot Staal en Gereedschap) en Cycles Peugeot (Peugeot Fietsen) tot ECIA. Na de vriendelijke overname van Bertrand Faure in 1998 werd de naam in Faurecia veranderd. In 2001 is de overname van Sommer Allibert automotive business door Faurecia afgerond. Faurecia is nu een van de belangrijkste leveranciers van auto-onderdelen (uitlaatsystemen, zetels en dergelijke). PSA controleert 57% van de aandelen van Faurecia.
  • PSA Finance Holding, die voor de financiering van de verkoop van auto’s van dochterondernemingen Peugeot en Citroën zorgt, is in 1995 tot een bank omgevormd en draagt nu de naam Banque PSA Finance.
  • De reorganisatie van de automobieldivisie, eind 1998, harmoniseerde de juridische structuren met de nieuwe patronen van functionele organisatie die eerder dat jaar door de nieuwe voorzitter Jean-Martin Folz opgezet waren. Automobiles Peugeot en Automobiles Citroën brachten al hun ontwikkelingsactiviteiten en productiemiddelen samen in Peugeot Citroën Automobiles, en alle activiteiten met betrekking tot ontwerp en productie van industriële goederen werden ondergebracht in PCI (Process Conception Ingénierie), een dochteronderneming van PSA. Vanaf dat moment is het moeilijk om nog van een bedrijf Peugeot of een bedrijf Citroën te spreken, omdat zoveel vitale functies nu binnen PSA verenigd zijn.

Les fils de Peugeot frères

In 1810 verbond Jean-Pierre Peugeot, een wever uit Hérimoncourt, zich met zijn beide zoons Jean-Pierre II en Jean-Frédéric met hun schoonbroer Jacques Maillard-Salin, die in Sous-Cratet een gieterij had waar gelamineerd staal voor gereedschappen en horlogeveren geproduceerd werd. In 1819, na een kapitaalinjectie, kreeg dit bedrijf de naam “Peugeot frères et Cie”. Binnen korte tijd waren er al 70 werknemers in dienst. In 1825 groeide het bedrijf al sterk en veranderde de naam in “Société Peugeot Frères Aînés, Calame et Jacques Maillard-Salins”. In 1832 scheidde Jean-Pierre II zich af en begon de firma “Peugeot Frères Aînés”. Hij gaf echter de leiding in handen van zijn zoon Jules en zijn neef Emile. In 1871 werd deze firma geherstructureerd en kwam de leiding in handen van twee neven: Eugène, de zoon van Jules, en Armand, de zoon van Emile. In 1878 veranderden zij de naam in “Les fils de Peugeot frères” (de zonen van de gebroeders Peugeot). Tot 1885 kende het bedrijf een grote ontwikkeling en maakte een naam als fabrikant van allerlei gereedschappen op diverse Europese markten, maar ook in de VS, Turkije en Egypte. In 1882 maakte Peugeot zijn entree op de vervoermiddelenmarkt: Armand Peugeot nam het initiatief rijwielen te gaan bouwen. In de fabriek van Beaulieu werd de “Grand bi” (de Franse naam voor de Hoge bi) gemaakt. In 1889 toonde Armand Peugeot vier driewielers met een stoommachine van Léon Serpollet op de wereldtentoonstelling van Parijs, de Peugeot Type 1. Deze driewieler was geschikt voor het vervoer van twee personen. Armand had vlak vóór de tentoonstelling echter al bezoek gehad van Gottlieb Daimler en Émile Levassor. Zij zochten, na het overlijden van Edouard Sarazin, de Franse licentiehouder van de Daimler motoren nieuwe afnemers en overtuigden Armand ervan dan niet stoom, maar de atmosferische verbrandingsmotor de toekomst had. Panhard, mede opgericht door Levassor, zou de chassis gaan leveren. De eerste Peugeot auto werd in 1890 gebouwd, met een Peugeot carrosserie, gemonteerd op een Panhard chassis en met een Daimler motor. In 1891 kwam de productie van Peugeot auto’s op gang en het aantal modellen werd uitgebreid. In 1892 begon de lange geschiedenis van het merk in de autosport. In dat jaar won Peugeot ex aequo met Panhard de toen zeer bekende race Parijs – Rouen. In 1913 werd de Grand-Prix van Amerika, gereden over 500 miles in Indianapolis, gewonnen door Jules Goux met een Peugeot L 76.

S.A. des Automobiles Peugeot

De familie Peugeot zag echter niets in gemotoriseerde voertuigen, de autoproductie leidde zelfs tot een twist tussen Eugène en Armand. Besloten werd dat Armand zijn eigen bedrijf zou oprichten: de “Société Anonyme des Automobiles Peugeot”. Dat gebeurde op 2 april 1896. Bovendien werd afgesproken dat “les fils de Peugeot frères” zich niet zou inlaten met de productie van motorrijtuigen, terwijl “Automobiles Peugeot” geen fietsen zou produceren. Deze afspraak hield echter niet lang stand: al op het Salon du Cycles van 1898 presenteerde “les fils” naast fietsen ook tricycles en quadricycles met De Dion-Bouton- en eigen motorblokken van 3, 3½, 4½ en 5pk.

Ets. Griffon

De Zwitserse “Fabrique de Moteurs Zürcher, Lühti et Cie”, die clip-on motoren onder de merknaam Z.L. produceerde, was rond 1901 op zoek naar een fietsenfabrikant die stevige frames voor deze motorblokjes kon maken, en kwam uitgerekend uit bij les fils de Peugeot frères. De concurrentie op de rijwielmarkt werd steeds groter, waardoor de verleiding om op het verzoek van Z.L. in te gaan nog groter werd. De motorblokjes van Z.L. waren al erg populair: ze konden op elk stevig fietsframe gemonteerd worden en werden al gebruikt door Brion in Antwerpen, Frera in Milaan, NSU in Neckarsulm en Pécourt in Parijs. Bovendien werden ze door andere fabrikanten gekopieerd. Ze werden in eerste instantie gemonteerd vóór de trapperas. De tegenwoordig gebruikelijke plaats voor het motorblok, onder in het frame, was toen nog gepatenteerd door de gebroeders Werner (zie: Nieuwe Wernermethode). De Franse markt was zeer belangrijk voor Zürcher en Lühti, zó belangrijk dat ze de merknaam Z.L., die voor de Fransen “te Duits” was, veranderden in “Zedel”. Om problemen met het bedrijf van Armand te voorkomen deponeerde les fils de Peugeot frères de merknaam Griffon. Vanaf dat moment werden motorfietsen onder de namen Peugeot en Griffon geproduceerd. De Griffon fabriek stond echter in Courbevoie en kreeg al snel een dépendance in Londen. Juist door de uitvinding van de gebroeders Werner was de Motobicyclette eigenlijk al verouderd toen ze in 1902 op de markt kwam.

Lion-Peugeot

Vanaf 1905 ging les fils de Peugeot frères ook automobielen produceren. Dat was op basis van de afspraken uit 1896 verboden, maar ook hiervoor werd een oplossing gevonden: de merknaam werd Lion-Peugeot en S.A. des Automobiles Peugeot ontving jaarlijks 1 miljoen frank. Waarschijnlijk waren de zoons van Eugène Peugeot, Pierre, Robert en Jules, de initiatiefnemers voor het project. Er werden ook motorfietsen voorzien van deze merknaam, maar die zijn uiterst zeldzaam.

S.A. des Automobiles et Cycles Peugeot

In 1910 nam de Société Anonyme des Automobiles Peugeot het oudere Les Fils de Peugeot Frères over. Deze firma produceerde sinds 1905 ook auto’s, onder de merknaam Lion-Peugeot. Voor auto’s was de naam “Peugeot” immers voorbehouden aan het bedrijf van Armand Peugeot. Eugène overleed in dat jaar en Armand deed de leiding van de autofabriek over aan zijn neven, de zonen van Eugène: Pierre, Robert en Jules, die de drijvende krachten achter Lion-Peugeot waren. De merknaam Lion-Peugeot bleef tot 1916 gehandhaafd. In 1911 werd de nieuwe fabriek van Sochaux bij Montbéliard gebouwd. Deze fabriek bestaat nog steeds en wordt als de bakermat van Peugeot beschouwd wat de autoproductie betreft. De leeuw zoals we die thans kennen als symbool van Peugeot vindt zijn oorsprong ook in Montbéliard. Het eerste ontwerp is in opdracht van Société Peugeot Frères Aînés gemaakt door Justin Blazer, een juwelier en graveerder uit Montbéliard en dateert van 1850. Het is dezelfde leeuw als in het wapen van de Franche-Comté. De afbeelding is nog steeds te zien in de buitenmuur van het kasteel van Montbéliard, of kasteel van de hertogen van Württemberg. Het ontwerp stond alleen op de topproducten van “Les fils de Peugeot frères”. Voor de mindere producten waren nog twee andere emblemen ontworpen.

Na de Tweede Wereldoorlog maakte het bedrijf snel naam met de bouw van luxe personenauto’s zoals de 203, 403, 404 en 504. Dit was ook de periode waarin Peugeot actief meedeed in de rallysport. Met name in woestijnrally’s wist Peugeot goed te scoren. Daardoor wisten de laatste twee modellen uit te groeien tot bekende modellen uit de automobielhistorie.

Na de 504, die in 1969 Auto van het Jaar werd, heeft Peugeot zich met modellen als de 604, 305, 505 steeds verder ontwikkeld. De grote aanzet tot commercieel succes blijkt echter niet de luxe Franse limousine, maar de 205. De 205 was Peugeots laatste strohalm, qua financiën zat de autofabrikant behoorlijk aan de grond. Deze compacte auto werd in 1983 geïntroduceerd en bleek een succesnummer te zijn, de slagzin van de 205 is niet voor niets 205, een sterk nummer geworden. Het succes van dit type heeft ervoor gezorgd dat Peugeot zich nog verder is gaan richten op de groeiende markt voor compacte auto’s.

De 205 is uiteindelijk geproduceerd tot 1998. De Peugeot 405 (1987 – 1996) is in 1988 Auto van het Jaar geworden én goed verkocht. De opvolger van de 205, de 206, is enige jaren de best verkochte auto van Nederland en van Europa geweest. Inmiddels is ook dit model weer opgevolgd, door de 207, die op zijn beurt opgevolgd werd door de 208. In 1999 bracht Peugeot de 607 uit, een auto uit de hogere middenklasse waar onder anderen directieleden en ministers van de Franse overheid in vervoerd werden. In 2011 besloot Peugeot te stoppen met de productie van de Peugeot 607. De Peugeot 307 is in 2002 aan de haal gegaan met de titel Europees auto van het Jaar. Sinds september 2007 staat de opvolger van de 307, de 308, in de showroom. In 2014 werd deze, inmiddels iets aangepast, op zijn beurt verkozen tot Europees auto van het Jaar. In het voorjaar van 2010 heeft Peugeot een MPV, de Peugeot 5008, op de Nederlandse markt gebracht. Ook brachten ze dat jaar de RCZ uit. In 2011 kwam de 508 op de markt, als opvolger van zowel de 407 als de 607. Van de 508 zijn een Berline en een SW-variant verkrijgbaar.

Peugeot produceert ook nog steeds pepermolens. Dit is nog een overblijfsel uit de beginperiode van Peugeot toen zij allerlei producten op de markt hadden. De Peugeot-pepermolens staan hoog aangeschreven en staan op tafel in veel toprestaurants.

Tijdlijn Peugeot modellen

tijdlijn Peugeot